<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/"
	>

<channel>
	<title>Gerrit Gorter</title>
	<link>https://gerritgorter.com</link>
	<description>Gerrit Gorter</description>
	<pubDate>Fri, 28 Nov 2025 14:56:16 +0000</pubDate>
	<generator>https://gerritgorter.com</generator>
	<language>en</language>
	
		
	<item>
		<title>Reclame en Ortega y Gasset</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Reclame-en-Ortega-y-Gasset</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Fri, 28 Nov 2025 14:56:16 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">458610</guid>

		<description> Mini-essays



Reclame en Ortega y Gasset De vraag is of je wel echt kunt wennen aan reclame. Weliswaar vallen de infantiele manieren die aanbieders gebruiken om hun spullen te slijten, nauwelijks meer op, het blijft toch een genante vertoning. Ik behoor tot de generatie die de introductie van de televisiereclame heeft meegemaakt. Het gevoel van plaatsvervangende schaamte dat me overviel bij het kennisnemen van eerste tv-spotjes, heeft me nooit helemaal verlaten. Reclame was destijds natuurlijk geen onbekend verschijnsel, maar op de televisie lijkt het allemaal veel erger.

Reclame is een van de meest zichtbare en onontkoombare trekken van een markteconomie. In een centraal geleide economie moeten de consumenten moeite doen hun boodschappen bij elkaar te krijgen; denk aan de rijen wachtenden in de voormalige communistische economieën. In kapitalistische samenlevingen daarentegen is het de producent die moeite moet doen zijn producten kwijt te raken. En dat zullen we weten ook.

Het is bijna niet te geloven welke bijna wanhopige pogingen in het werk worden gesteld de aandacht van de consument te trekken. Behalve de alomtegenwoordigheid valt de botheid op waarmee programma's op de commerciële zenders worden onderbroken. Daarbij komt de volstrekte onbenulligheid van inhoud en presentatie van de meeste tv-spotjes en ook het creëren van een rimpelloze schijnwereld (iedereen is jong, mooi, gezond en gelukkig).

Ik moet bekennen dat van deze reclameboodschappen toch ook een zekere fascinatie uitgaat. De opgewekt lachende modellen op de hometrainers, de begeleidende stem die vertelt hoe ‘je een fantastisch lichaam kunt krijgen’, de bijna geloofwaardige oh’s en ah’ van een zaal dames bij het aanschouwen van een schoonmaakproduct vergeleken waarbij alle andere producten geheel betekenisloos worden — het is allemaal van zo’n onnozele doorzichtigheid dat ik me maar moeilijk van het tv-apparaat kan losrukken.

In ‘De opstand der horden’ beschrijft de Spaanse filosoof Ortega y Gasset (1883-1956) het onstaan van een nieuwe mensensoort, de massamens. Hoewel het boek bijna een eeuw oud is, werpt het niettemin een helder licht op de tegenwoordige reclame. De massamens, aldus Ortega, vindt dat het leven gemakkelijk en overvloedig moet zijn, zonder enige tragische beperking. Het lijden, het verval en de dood horen in een andere wereld thuis. Verder is de massamens redelijk met zichzelf ingenomen en wil zich dan ook laten gelden zoals hij is, zonder enige terughouding. De massamens, aldus nog steeds Ortega, lijkt bijzonder veel op een verwend kind.

Een kapitalistische economie kan niet bestaan zonder een constante en massale afzet van haar producten. Daartoe dient de consument regelmatig en indringend te worden aangespoord zijn geld te laten rollen. De beste manier om dit doel te bereiken, Ortega’s schets van de massamens indachtig, is zich te richten als tot een verwend kind. Heeft de consument soms geen recht op een fantastisch lichaam? Natuurlijk heeft hij dat. En veel moeite hoeft hij er ook niet voor te doen: hij hoeft alleen maar deze hometrainer of deze gezichtscrème te kopen.

Het beste en tegelijk meest onthutsende dat je van reclame kunt zeggen, is dat ze de spiegel van de samenleving is. Spiegels (lachspiegels uitgezonderd) hebben de onaangename eigenschap beelden in alle objectiviteit terug te kaatsen. Om nu te zeggen dat je daar optimistisch van wordt, nee.








 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Reclame en Ortega y Gasset De vraag is of je wel echt kunt wennen aan reclame. Weliswaar vallen de infantiele manieren die aanbieders gebruiken...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>De tirannie van verdienste</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/De-tirannie-van-verdienste</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Thu, 21 Jan 2021 15:12:56 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">395875</guid>

		<description> Recensies



 De tirannie van verdienste

Michael J. Sandel













De Amerikaan Michael J. Sandel is een interessant auteur. Hij houdt zich met name bezig met de ethische kant van de economie. In zijn eerder uitgegeven boek Niet alles is te koop komt hij bijvoorbeeld met een aantal morele bedenkingen tegen een ongebreideld marktmechanisme. Zo verkocht de kerk al in de middeleeuwen ‘aflaten’, waarmee de vergeving van je zonden kon worden afgekocht. Tegenwoordig zijn er Amerikaanse artsen die rijke klanten tegen een stevige vergoeding hun mobiele nummer geven. Rijke Chinezen huren iemand in die urenlang voor ze in de rij gaat staan om een afspraak met een medisch specialist te maken. Sandel stelt daar kritische vragen bij.











Ook zijn nieuwste boek, De tirannie van verdienste, heeft een sterk ethische inslag. Het onderwerp is de meritocratie, een systeem waarin verdienste (merit) de sociale hiërarchie bepaalt. Bij verdienste denkt Sandel vooral aan talent en onderwijsprestaties. Getalenteerde en intelligente burgers komen bovendrijven en vormen een nieuwe elite.











Die nieuwe elite moest de oude vervangen. Tot ver in de twintigste eeuw was er, met name in de Europese landen, sprake van een standensamenleving. Als je in het juiste milieu geboren werd, was je vermogend, kreeg je een goede opleiding en was je plek in de samenleving verzekerd. Al in de negentiende eeuw begonnen socialistische activisten tegen deze, in hun ogen, onrechtvaardige situatie te protesteren. Had niet iedereen evenveel recht op goede maatschappelijke perspectieven? Die waren toch niet voorbehouden aan degenen die toevallig in het juiste milieu geboren waren?















De term ‘meritocratie’ is bedacht door de Britse socioloog Michael Young. In zijn boek De opkomst van de meritocratie uit 1958 keek Young vanuit het jaar 2034 terug op de ontwikkelingen in de Britse samenleving en erg optimistisch werd hij er niet van. De goed bedoelde aanval op de standensamenleving moest iedereen gelijke kansen geven. Maar talent en IQ zijn nu eenmaal, net als de standen van weleer, niet gelijk over de mensen verdeeld. En zo werd de ene hiërarchie vervangen door de andere.














De tirannie van verdienste is vooral gericht op de Amerikaanse samenleving. De voorbeelden die Sandel geeft, zoals over de toenemende inkomenskloof en het tamelijk meedogenloze onderwijssysteem, zijn goeddeels Amerikaans, hoewel hij ook wel Europese voorbeelden geeft. Maar er is geen argument te bedenken waarom de ontwikkelingen die Sandel schetst niet ook op alle westerse samenlevingen betrekking kunnen hebben. Het beeld is dat van een toenemende tweedeling tussen een geprivilegieerde, vaak academisch opgeleide bovenklasse en een klasse van minder fortuinlijke, doorgaans lager opgeleide werknemers.















Die tweedeling laat zich duidelijk zien in de inkomensverdeling. De economische groei in de VS sinds 1980 is vooral naar de bovenste 10 procent gegaan. De onderste helft is de afgelopen veertig jaar reëel gezien stil blijven staan. Het gevolg is dat de bovenste 1 procent er met 20 procent van het inkomen vandoor gaat, de onderste helft ontvangt 12 procent van het totale inkomen. Voor Europa geeft Sandel vergelijkbare, overigens minder droevige cijfers.















Maar verreweg het voornaamste punt dat de ethicus Sandel wil maken, heeft niet zozeer betrekking op de uit het lood geslagen inkomens- en vermogensverdeling, maar op de houding van de winners ten opzichte van de losers. De VS zijn het land van gelijke kansen. You can make it if you try. Als je die kansen niet wenst te benutten, moet je niet zeuren. Omgekeerd hebben de winners hun succes aan zichzelf te danken. Het resultaat is dat de bovenklasse met het nodige dedain neerkijkt op de minder fortuinlijke klasse. Sandel constateert een absoluut gebrek aan respect bij de bovenklasse voor mensen die weinig opleiding hebben en eenvoudig werk doen.















Sandel legt er de nadruk op dat arbeid niet alleen maar een productiefactor is. Arbeid is een manier om een zinvolle bijdrage te leveren aan de samenleving. En je wilt dat die bijdrage, hoe eenvoudig ook, als zodanig erkend en gewaardeerd wordt. Er is echter een grote groep mensen, ruwweg de 70 miljoen kiezers die op Donald Trump hebben gestemd, die zich niet gewaardeerd voelt. Ze wensen niet langer gezien te worden als trailer trash in flyover states. En wat te denken van de neerbuigende opmerking van Hillary Clinton vier jaar geleden, dat Trump-stemmers eigenlijk allemaal deplorables zijn, sneue, betreurenswaardige figuren?















Het idee dat je zelf verantwoordelijk bent voor succes of falen miskent een eenvoudige en nauwelijks over het hoofd te ziene waarheid, namelijk dat verdienste voor een groot deel toeval is. Intelligentie is goeddeels erfelijk en niet iedereen kan een topvoetballer worden. Daar komt bij dat rijke ouders allerlei manieren hebben om hun kinderen goed voor de dag te laten komen, zoals het regelen van extra lessen. Je kunt het ook illegaal proberen, zoals de actrice Felicity Huffman onlangs deed, die haar dochter probeerde ‘in te kopen’ op een universiteit.















Sandel besteedt veel aandacht aan de rol van het onderwijs, door hem de sorteermachine genoemd. In het bijzonder de universiteiten houden de ongelijkheid in stand. Zonder een universitair diploma ben je immers nergens. Studenten uit de top 1 procent van het inkomensgebouw zijn oververtegenwoordigd. Jongeren uit de onderste helft zijn vaak kansloos, zeker bij de prestigieuze Ivy Laegue-universtiteiten. Niet alleen hebben studenten uit gefortuneerde kringen vaak een betere uitgangspositie, hun ouders, niet zelden alumni van dezelfde universiteiten, doen vaak royale schenkingen en wijs hun kinderen dan maar eens af.















Sandel schetst een helder beeld van de ontstane situatie. Geeft hij ook oplossingen? Probleem daarbij is dat een meritocratie onvermijdelijk is. De één is nu eenmaal slimmer, vaardiger, mooier, gedisciplineerder dan de ander. Hij zoekt een uitweg in een andere mentaliteit van de bovenklasse, een houding van meer respect voor mensen die eenvoudig werk doen. Daarnaast pleit hij voor een systeem van loting om de toegang tot universiteiten eerlijker te laten verlopen.















De tirannie van verdienste is een zeer leesbaar, met veel vaart geschreven boek. Het is zeker een eyeopener als het gaat om de bijna onoplosbare tegenstelling die de VS momenteel in haar greep houdt. En ook West-Europeanen zullen veel herkenbaars in Sandels analyse tegenkomen. Wel is hij tamelijk uitvoerig en soms bekroop me het idee dat hetzelfde punt in de helft van het aantal pagina’s gemaakt had kunnen worden. Voor wie in het kort (acht minuten) een goede, maar niet meer dan een eerste, indruk van het boek wil krijgen, beveel ik een YouTube-video aan. Daarin stelt Sandel op heldere en indrukwekkende wijze de voornaamste punten uit zijn boek aan de orde.




 Recensies</description>
		
		<excerpt> Recensies     De tirannie van verdienste  Michael J. Sandel              De Amerikaan Michael J. Sandel is een interessant auteur. Hij houdt zich met name bezig...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Denken in modellen</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Denken-in-modellen</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Sun, 01 Nov 2020 14:42:58 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">389046</guid>

		<description> Economieonderwijs














Denken in modellen














Het zal u niet zijn ontgaan dat in het nieuwe vwo-programma economie, voor het eerst te examineren in 2023, een nieuw macro-economisch model is opgenomen, het zogenaamde IS-MB-GA-model. Dit model bevat het keynesiaanse model, het reële deel van het ISLM-model en de macro-economische aanbodcurve. Dit nieuwe model is aanmerkelijk uitvoeriger dan het huidige macro-economische vraag-en-aanbodmodel, dat overigens op weinig sympathie kon rekenen en na een paar jaar nauwelijks in de examenpraktijk te hebben gefunctioneerd op het punt staat te verdwijnen.



















Kritiek op de modelmatige benadering

Naast het nieuwe IS-MB-GA-model is eveneens toegevoegd een eenvoudige productiefunctie van het type Y = A f(L, K) met afnemende meeropbrengsten en constante schaalopbrengsten. Een en ander zorgt ervoor dat het gehalte aan ‘modelmatig denken’ in het vwo-progamma toeneemt. Overigens zitten ook in de micro-economie, denk aan de markt- en de kostentheorie, een aantal onderwerpen die modelmatig benaderd worden. Op deze manier spiegelt het schoolvak economie zich aan de achterliggende moederwetenschap, die het bouwen van modellen immers tot core business heeft gemaakt. Toch kunnen we ons de vraag stellen wat de pedagogische waarde van het denken in modellen is. Schieten leerlingen er iets mee op? Ik denk zelf van wel, maar de vraag naar het nut van modellen in het economieonderwijs is opzichzelf legitiem.










Ik herinner me de tijd dat hele borden volgeschreven werden met keynesiaanse modellen, inclusief allerlei multipliers, alles uiteraard wiskundig, met veel rekenwerk, opgediend. Gevolgd door het al even wiskundig opgetuigde ISLM-model. De meeste leerlingen beschouwden die abstracte leerstof als gegeven, zo zat het vak economie kennelijk in elkaar. Toch waren er toen ook al leerlingen die zich afvroegen wat je hiermee eigenlijk leerde. Maar het zijn vooral oudleerlingen die ik incidenteel tegenkom, met dergelijke opmerkingen. “Je leerde wel allerlei sommetjes maken, maar verder begreep je niets van de economische werkelijkheid” of opmerkingen van gelijke strekking. Het was met name de Landelijke Werkgroep Economieonderwijs (LWEO) die zich in de jaren zeventig dit type kritiek eigen maakte. En met succes, want eerst sneuvelde het ISLM-model en later ook het keynesiaanse model.

















Als selectiemiddel?

Nogmaals dan de vraag: wat is de waarde van het denken in modellen? Ooit, bij de invoering van de Mammoetwet vanaf 1968, werd het wiskundig-modelmatige karakter van het vak economie gezien als een selectiemiddel. Het zou niveau moeten geven aan het Atheneum-A, dat zich richtte op maatschappijvakken en talen. Later, na de invoering van het zogenaamde ongedeelde vwo met een bijna onbeperkte keuze aan vakken, boette dit argument aan belang in.


Maar er zijn ook meer inhoudelijke argumenten om modellen in het economieonderwijs te gebruiken. Het is misschien aardig te kijken naar enkele argumenten uit een min of meer grijs verleden, toen de modelmatige benadering aan het begin stond van haar carrière in het economieonderwijs. We kijken naar een tweetal argumenten, één van Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen en één van de architect van het vernieuwde Mammoet-vak economie in de jaren zestig, Arnold Heertje.




















Jan Tinbergen
Eén van de eersten die een lans brak voor het werken met modellen in het economieonderwijs was de Nederlandse econoom Jan Tinbergen.i&#38;nbsp; Al in 1948 schreef hij over het werken met “bepaalde modellen van de maatschappij, die een zekere stylering, een vereenvoudiging beduiden... Maakt men bijvoorbeeld een model van een bepaalde markt, van vraag en aanbod, van het begrip prijs. Mits scherp behandeld, kan dit zeer tot de wetenschappelijke vorming bijdragen... Natuurlijk moet men er altijd bij zeggen, dat het maar modellen zijn, maar als men dat zorgvuldig inricht, is het mogelijk van dergelijke modellen dezelfde opvoedende waarde uit te laten gaan als in de natuurkunde en men heeft daarbij de kans, dat dit object bepaalde groepen leerlingen meer aantrekt dan de dode natuur.” 


Tinbergen werkt zijn punt niet verder uit, zodat de vraag blijft: wat is dan de ‘opvoedende waarde’, zoals hij het noemt, van het werken met modellen in het onderwijs? Een interpretatie mijnerzijds: ik denk dat je via het werken met modellen leert naar de kern te zoeken in een verwarrende werkelijkheid. Ik heb dat zelf sterk ervaren toen ik voor het eerst kennis maakte met macro-modellen. De (economische) werkelijkheid is dusdanig complex dat je er — intellectueel gezien — nauwelijks grip op kunt krijgen. Je moet vereenvoudigen, ‘styleren’ zoals Tinbergen zegt. Je moet zoeken naar een aantal essentiële variabelen en die met elkaar in verband proberen te brengen. Dan bestaat de kans dat je doordringt tot de kern van de zaak en dat je enige grip op de werkelijkheid krijgt. Wel is het zo dat over wat ‘essentieel’ is de meningen kunnen verschillen. Er zit altijd een zekere subjectiviteit in de keuze van de variabelen. Maar het idee, het zoeken naar de essentie in een complexe werkelijkheid, blijft overeind.











Arnold Heertje

Een tweede argument is afkomstig van Arnold Heertje.ii&#38;nbsp; In een artikel uit 1966 gebruikt hij de formulering dat je via modellen leert “denken in vooronderstellingen en conclusies”. Het vak economie is niet een “gezellig praatvak”, maar een gedisciplineerd systeem van uitspraken. Modellen leveren transparantie op. Alle vooronderstellingen liggen op tafel en vanuit die vooronderstellingen, inclusief de veronderstelde samenhangen tussen de diverse variabelen, worden bepaalde conclusies bereikt. Verander je iets in het model, dan veranderen de conclusies mee.


Op die manier wordt, aldus Heertje, een bepaalde zindelijkheid in het redeneren bereikt. Een fraai recent voorbeeld is de discussie over de zogenaamde stikstofdepositie. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de landbouw verantwoordelijk voor 46% van de stikstofdepositie. Het Mesdagfonds komt op ‘slechts’ 25%. Het verschil kan worden verklaard door een verschil in vooronderstellingen. Het Mesdagfonds heeft ook de depositie op grote wateroppervlakken als de Waddenzee meegeteld, het RIVM niet. Andere vooronderstellingen, andere conclusies. Het redeneren in een model maakt dat direct duidelijk.











De rol van de wiskunde

Veronderstel dat we het eens zijn over het nut van modellen in het economieonderwijs, dan volgt de vraag welke vorm die modellen moeten hebben. Het gaat dan met name over de vraag hoeveel wiskunde wordt gebruikt. Het nieuwe IS-MB-GA-model kan in principe door middel van grafieken en uiteraard verbaal worden aangeboden. De syllabus-commissie zegt zelf dat ze de wiskunde — ik neem aan dat dan de algebra en het bijbehorende rekenen worden bedoeld — tot een minimum wil beperken, vooral om rekenen om het rekenen te voorkomen. Wat dan precies dat minimum is, wordt niet expliciet gemaakt. Of het moet een voorbeeld van een examenopgave met het IS-MB-GA-model zijn, waarin enig rekenwerk voorkomt.


Gezien de de ervaring uit het verleden, toen het rekenen rond het keynesiaanse en het ISLM-model het zicht op de economische werkelijkheid wel eens belemmerde, is terughoudendheid ten aanzien van het rekenen niet onbegrijpelijk. Maar enig rekenwerk kan wel degelijk verhelderend werken. Leerlingen kunnen op die manier een model beter in de vingers krijgen. Het blijft wel de taak van de docent uit te leggen dat “het maar een model is”, om de woorden van Tinbergen te gebruiken. Overigens, waarom moeten leerlingen wel de eerste afgeleide van de TK-vergelijking nemen om de MK-vergelijking te vinden, terwijl in het macromodel opeens huiverig met de wiskunde wordt omgegaan? 

i J. Tinbergen, 'De waarde van het onderwijs in de economie'. Weekblad voor het gymnasiaal en middelbaar onderwijs 1948 (pp 140-143).










ii A. Heertje, 'Enkele opmerkingen over het economisch onderwijs in Nederland'. Tijdschrift voor het economische onderwijs 1966 (pp 69-72).

















 Economieonderwijs</description>
		
		<excerpt> Economieonderwijs               Denken in modellen               Het zal u niet zijn ontgaan dat in het nieuwe vwo-programma economie, voor het eerst te...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Arnold Heertje, een levenlang economieonderwijs</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Arnold-Heertje-een-levenlang-economieonderwijs</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Sun, 01 Nov 2020 14:34:36 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">389044</guid>

		<description> Economieonderwijs



Arnold Heertje, een levenlang economieonderwijs
De onlangs overleden Arnold Heertje vertelde me ooit waarom hij zijn methode De kern van de economie had genoemd. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren de methodes van Van Zwijndregt dominant.1 Het gezamenlijk marktaandeel van deze methodes liep tegen de 90 procent, een bijna-monopolie dus. Van Zwijndregts methodes waren zeer uitvoerig en bestonden vooral uit wijdlopige beschrijvingen van allerlei onderwerpen. Heertje wilde het anders doen. Hij wilde zich beperken tot de essentie van wat leerlingen moesten weten, hij wilde zich beperken tot De kern van de economie.




Eerste publicaties
De eerste druk van De kern kwam uit in 1962. Minder bekend is dat Heertje eerder al, in 1959, Economie voor HBS-B publiceerde. Dit nog geen 60 pagina’s tellende leerboekje kan als een voorloper van De kern worden gezien. Het bestaat uit twee hoofdonderdelen, de micro- en de macro-economie. De behandeling is, anders dan gebruikelijk in die tijd, wiskundig-modelmatig: veel grafieken, veel algebraïsche vergelijkingen. Eerlijk gezegd weet ik niet op welke schaal het gebruikt is, in elk geval heeft het boekje drie drukken gekend. Overigens gaf Heertje vanaf 1958 zelf ook economie en wel aan het Maimonides Lyceum in Amsterdam.

De Mammoetwet
In 1963 werd de Mammoetwet aangenomen, die in 1968 ingevoerd zou gaan worden. In de tussentijd moest er nagedacht worden over de inhoud van het vak economie. Er werd een commissie opgetuigd, waarin ook Heertje zitting nam. Men ging er in die tijd nog van uit dat het vwo uit twee richtingen zou bestaan, atheneum-A (maatschappijvakken, talen) en atheneum-B (wiskunde, natuurwetenschappen). Er bestond enige zorg over het niveau van het atheneum-A. Om aan die zorg tegemoet te komen, zou het vak economie 'opgewaardeerd' moeten worden in wiskundig-modelmatige richting. En de methodes van Heertje pasten daar perfect bij.

Commissielid
In de genoemde commissie, de zogenaamde commissie-De Jong, speelde Heertje een vrij dominante rol. Het programma van de vakken Economie I (vwo) en Economie (havo) kwam dan ook goeddeels overeen met de inhoud van De kern van de economie. Zo gezien is het niet onbegrijpelijk dat de overgrote meerderheid van de scholen, zo’n 85 procent, de methodes van Heertje na de invoering van de Mammoetwet ging voorschrijven. Het ging dan niet alleen om De kern, dat voor vwo bedoeld was, maar ook om Elementaire economie, de bijbehorende havo-methode. Het is Heertje wel kwalijk genomen dat hij zowel commissielid was als methodeauteur. Sinds die tijd is het een ongeschreven regel dat beide functies gescheiden dienen te blijven. Overigens wordt met die regel ook wel eens de hand gelicht.


Het Heertje-programma, om het zo maar te noemen, uit de jaren zestig bleef decennialang overeind. Niet zonder, soms behoorlijk ingrijpende, wijzigingen. Maar tot aan de beide Teulings-rapporten in 2002 en 2005 bleef de hoofdlijn van het programma van de commissie-De Jong in principe geldig.2











Bescherming van De kern

Er was Heertje veel aan gelegen wat hij zag als zijn intellectueel eigendom te beschermen. Toen in 1970 dan ook een rivaliserende methode op de markt verscheen, Economie voor het voortgezet onderwijs van J.J. Hollebrand &#38;amp; C.R. Stassen, die zijns inziens wel erg op de zijne leek, begon Heertje een rechtszaak. Hij claimde dat zijn benadering — “de modelmatige presentatie van de leerstof... waarbij begonnen wordt met de behandeling van de macro-economie” — zijn unieke prestatie was en dat de concurrerende methode de zijne in feite plagieerde. Heertje procedeerde door tot aan de Hoge Raad, die zijn claim in 1979 ten slotte afwees.


Teleurstellend voor Heertje was ook dat zijn medewerker Rolf Schöndorff in 1980 met eigen methodes kwam, Economie bijvoorbeeld en Economie zonder franje. Deze beide methodes waren zeer succesvol, waarschijnlijk mede doordat het karakter ervan aanzienlijk leerlinggerichter was dan de methodes van Heertje. Met de dominantie van Heertjes methodes was toen het gedaan, hetgeen de verhouding tussen beide mannen geen goed deed.





















RichtingenstrijdIntussen riep de wiskundig-modelmatige benadering nogal wat bezwaren op van economiedocenten. Er zou gerekend worden om het rekenen, de economische werkelijkheid zou achter al die wiskunde verdwijnen. Hoewel Heertje zelf meerdere keren stelde dat de wiskunde beperkt diende te blijven, wilde het in de praktijk wel eens uit de hand lopen. Overigens was Heertje daar zelf mede debet aan, vooral De kern deel 2 benaderde af en toe het niveau van het universitaire kandidaatsexamen economie. Deze discussie spitste zich vooral toe op het vwo-examen, het havo-programma leverde in dit opzicht minder problemen op.


De kritiek op het examenprogramma resulteerde in 1974 in de oprichting van de Landelijke Werkgroep Economieonderwijs (LWEO), nog steeds de uitgever van de zogenaamde Lesbrieven. Het was overigens niet alleen het wiskundig-modelmatige karakter van het (vooral vwo) onderwijs dat leidde tot de oprichting van de LWEO. Ook de veronderstelde waardevrijheid van de wetenschap moest het ontgelden. In de LWEO-visie diende er veel meer ruimte te zijn voor maatschappijkritiek. Eén van de oprichters, Herman Hartkamp, stelde voor om tijdens de economieles aandacht te besteden aan onderwerpen als milieu-educatie, oorlog en vrede, armoede en vrouwenemancipatie.

Voor of tegen Heertje

De richtingenstrijd die daarop in het economieonderwijs volgde, is wel eens verengd tot een strijd tussen Heertje en Hartkamp, hetgeen wat overdreven was. Maar in de beeldvorming was het vaak een kwestie van vóór of tegen Heertje. Om een artikel uit de Volkskrant uit 1999 te citeren: “Grofweg waren er twee stromingen [in het economieonderwijs]: de ene geloofde in Heertje. De andere niet. En die twee groepen konden (en kunnen) elkaars bloed wel drinken.” Om een indruk te geven van de uitkomst van die richtingenstrijd: het marktaandeel van de methodes van Heertje nam vanaf 1980 af en tegenwoordig is dat van De kern marginaal. Daarentegen gebruikt tegenwoordig bijna de helft van de scholen de Lesbrieven van de LWEO. De centrale examens zijn aanzienlijk contextrijker geworden, terwijl de grote modellen (keynesiaans, ISLM) geleidelijk verdwenen. 

Tegen het nieuwe programma

Dat Heertje af en toe fel uit de hoek kon komen, was bekend. Maar zijn reactie op het nieuwe examenprogramma economie uit 2005, opgesteld onder leiding van Coen Teulings, was in dat opzicht toch weer verrassend. Samen met Rolf Schöndorff fileerde hij het nieuwe programma tot er weinig van overbleef.3&#38;nbsp; Zonder nu op details van het artikel in te gaan kan men zich afvragen waar die ongekende felheid — kijk alleen maar naar de titel van het stuk (zie voetnoot) — vandaan kwam. Teulings noemde de stijl van het stuk niet geheel ten onrechte ‘intimiderend’ en Heertje was z.i. geen heer. Nee, het idee dat mildheid met de jaren komt, was niet aan Heertje besteed.

















Ten slotte
Het minste dat je van Heertje met betrekking tot het economieonderwijs kunt zeggen, is dat hij buitengewoon invloedrijk was. Zijn ‘finest hour’ vond hij in de jaren zestig, toen hij in de commissie-De Jong de lijnen voor de komende decennia uitzette, en in de jaren zeventig, toen hij met zijn methodes De kern van de economie en Elementaire economie de overgrote meerderheid van de scholen bediende. En ook daarna bleef elke methode tot aan het nieuwe Teulings-programma in zekere zin schatplichtig aan Heertje. Of zijn invloed door iedereen geapprecieerd werd, is een andere zaak. Het was in zekere zin eigen aan Heertjes persoonlijkheid dat hij stevige reacties opriep. Dat gold ook voor het door hem ontworpen programma, dat uiteindelijk tot een richtingenstrijd in het economieonderwijs leidde.


Wat mij altijd heeft gefrappeerd, is zijn enorme trouw, in dit geval trouw aan het economieonderwijs. Als 25-jarige jongeman begon hij les te geven in de economie, om dat vak vervolgens niet meer los te laten. Ook toen het marktaandeel van zijn methodes gestaag terugliep en uiteindelijk marginaal werd, bleef hij schaven aan zijn De kern van de economie, onder welke titel tegenwoordig ook de havo-methode te koop is. Een economiemethode die 58 jaar in de markt is, een absoluut unicum.
























1 &#38;nbsp;J. van Zwijndregt, Beknopt leer- en leesboek der economie en in mindere mate Hoofdstukken der economie.















2 &#38;nbsp;Het gaat om Economie moet je doen uit 2002 en om The Wealth of Education uit 2005. Beide rapporten werden geschreven door een commissie onder leiding van hoogleraar Coen Teulings.















3 &#38;nbsp;A. Heertje en R. Schöndorff, ‘Theoretisch beschamend, didactisch ondoordacht, maatschappelijk onverantwoord’. Tijdschrift voor het economisch onderwijs 2005 (324-329).








 Economieonderwijs</description>
		
		<excerpt> Economieonderwijs    Arnold Heertje, een levenlang economieonderwijs De onlangs overleden Arnold Heertje vertelde me ooit waarom hij zijn methode De kern van de...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Zorgt onderwijs voor ongelijkheid?</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Zorgt-onderwijs-voor-ongelijkheid</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:30:18 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290423</guid>

		<description> Mini-essays



Zorgt onderwijs voor ongelijkheid?
Mijn vader was een intelligent man. Maar aangezien hij in een eenvoudig milieu ter wereld was gekomen, zeiden zijn ouders: “Ga eerst maar ’s naar de lts.” En die heeft hij vanwege de oorlog niet afgemaakt, waardoor hij zijn hele leven last heeft gehouden van een ontoereikende vorming. Wat er van hem zou zijn geworden als hij de hbs of het gymnasium had kunnen volgen, zullen we uiteraard nooit weten.

Mijn vader maakte deel uit van het reservoir van verborgen talent, zo genoemd door de socioloog F. van Heek. In een standensamenleving, die nog tot diep in de twintigste eeuw bestond, moet de omvang van zo’n reservoir aanzienlijk zijn geweest: slimme mensen, die vanwege onderwijs onder hun niveau niet de mogelijkheden kregen die ze verdienden.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog veranderde dat vrij drastisch. Het onderwijs democratiseerde. De zonen van mijn vader kregen de kans wel die hij niet kreeg. En hoewel basisscholen nu nog af en toe de opleiding van ouders in het schooladvies voor hun kinderen schijnen mee te wegen, durf ik de stelling aan dat het reservoir van verborgen talent aanzienlijk gekrompen is — als het nog bestaat.

Volgens de Nederlandse econoom en Nobelprijs-winnaar Jan Tinbergen is de onderwijsrevolutie de oorzaak voor de nivellering van inkomens in de afgelopen halve eeuw. Volgens een veel gebruikte maatstaf zijn de inkomensverschillen in die periode bijna gehalveerd. Meer mensen kunnen hun talent ontplooien, talent vind je immers overal in de samenleving.

Onderwijs als gelijkmaker dus. Maar is dat nog zo? In een situatie dat er een flink reservoir aan verborgen talent bestaat, kan onderwijs een nivellerend effect hebben. Maar wat als dat reservoir is opgedroogd? Dan kan het onderwijs wel eens het tegenovergestelde effect hebben. Goed onderwijs haalt uit de mensen wat erin zit. En de één heeft nu eenmaal meer capaciteiten dan de ander. Mijn vader had de pech dat onderwijs op het juiste niveau er voor hem niet in zat. Maar misschien moeten we wel concluderen dat wie nu laag in de onderwijshiërarchie eindigt, er ook thuis hoort. Met alle beperkingen voor de toekomstige loopbaan.

Zo ontstaat een ongelijkheid die veel wranger is dan die in de standensamenleving. Toen kon je tenminste nog zeggen dat je de pech had in het verkeerde milieu te zijn geboren. Er is een nieuw type ongelijkheid ontstaan, die misschien wel hardnekkiger is dan de die onder een standensamenleving.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Zorgt onderwijs voor ongelijkheid? Mijn vader was een intelligent man. Maar aangezien hij in een eenvoudig milieu ter wereld was gekomen, zeiden...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Wie is het gelukkigst?</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Wie-is-het-gelukkigst</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:29:55 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290422</guid>

		<description> Mini-essays



Wie is het gelukkigst?

Het World Happiness Report is een jaarlijkse uitgave van de Verenigde Naties. Bij dit soort ‘geluksonderzoeken’ wordt mensen soms rechtstreeks gevraagd hoe gelukkig ze zijn, bijvoorbeeld door een cijfer aan hun welbevinden toe te kennen. In dit rapport wordt die vraag niet gesteld, maar worden per land min of meer objectieve maatstaven gebruikt. Het inkomen per hoofd bijvoorbeeld, maar ook zaken als het aantal jaren dat je in gezondheid leeft, de mate van corruptie en de vrijheid om eigen keuzes te maken.

Wat bij dergelijke onderzoeken altijd weer opvalt, is de hoge plaats in de rangorde die een aantal kleine Europese landen inneemt. In de ‘ranking’ voor 2015-2017 staat Finland bovenaan. Verder staan Noorwegen, Denemarken, Nederland en Oostenrijk in de top-tien. Grote en rijke landen als de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK) komen niet verder dan respectievelijk de 18de en 19de plaats. Ook onderzoeken die — al dan niet mede — naar het zelf ervaren geluksniveau vragen, komen uit bij min of meer dezelfde rangorde.

Een element dat in het World Happiness Report ontbreekt, is de inkomensverdeling. Toch hebben zaken als de vrijheid eigen keuzes te maken, corruptie en levensverwachting met het inkomen en dus met de inkomensverdeling te maken. Sommige andere onderzoeken laten de inkomensverdeling wel meewegen. Alles wijst er dan op dat mensen grote waarde hechten aan hun relatieve plaats in de inkomensverdeling. Toenemende inkomensverschillen kunnen gemakkelijk tot een geringer gevoel van welbevinden leiden.

Een veel gebruikte maatstaf om de inkomensverschillen te meten is de Gini-index, genoemd naar de Italiaans econoom Corrado Gini. Deze index is 0 als iedereen hetzelfde verdient en 100 als één persoon al het inkomen opstrijkt. Dus: hoe hoger de Gini-index, hoe ongelijker de inkomens zijn verdeeld. Opvallend is dan dat de eerder genoemde kleine Europese landen allemaal een relatief gelijkmatige inkomensverdeling kennen. Hun Gini-index ligt rond de 25. De index voor het VK ligt al een stuk hoger, op 32, en die voor de VS zelfs op 47.

Even opvallend is het dat de genoemde kleine Europese landen een type economie hebben die wel als het Rijnlandse model wordt aangeduid: het zijn weliswaar kapitalistische economieën, maar de overheid heeft een stevige vinger in de pap. Dat blijkt onder andere uit het bestaan van een redelijk tot goed sociaal vangnet. In Nederland bijvoorbeeld wordt de inkomensongelijkheid vooral door het bestaan van het socialezekerheidssysteem ruwweg gehalveerd. Alles bij elkaar genomen is er veel voor te zeggen het Rijnlandse model te koesteren en weg te blijven van het soort rauwe kapitalisme zoals de VS die kennen.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Wie is het gelukkigst?  Het World Happiness Report is een jaarlijkse uitgave van de Verenigde Naties. Bij dit soort ‘geluksonderzoeken’ wordt...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Verschil in Nederland</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Verschil-in-Nederland</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:29:28 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290421</guid>

		<description> Mini-essays



Verschil in Nederland

We leven inmiddels niet meer in een Downton Abbey-achtige standensamenleving, waarin een kleine elite zichzelf in stand hield via allerlei exclusieve voorrechten, netwerken en overerving. Maar in welk type maatschappij leven we dan wel? Om daar enig zicht op te krijgen, kunt u een recente publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), Verschil in Nederland, raadplegen. Ook gratis te downloaden van de website van deze instelling.

Het is een uiterst informatief verslag geworden. Het SCP had overigens wel wat meer moeite kunnen doen om de tekst toegankelijker te maken, maar laten we een gegeven paard niet in de bek kijken.

Van een standensamenleving spreekt het SCP weliswaar niet, maar de huidige samenleving wordt wel degelijk gekenmerkt door ‘segmentatie’. Om die op het spoor te komen wordt aan mensen vier soorten kapitaal toegekend. Allereerst uiteraard economisch kapitaal: opleiding, inkomen, vermogen. Maar er zijn meer soorten 'kapitaal'. Persoonskapitaal, zoals lichamelijke eigenschappen, bijvoorbeeld een aantrekkelijk uiterlijk. Verder: sociaal kapitaal, het netwerk dat iemand heeft. Ten slotte het cultureel kapitaal: woordenschat, talenkennis, culturele kennis.

Tel je die soorten kapitaal op, dan zie je een duidelijke tegenstelling tussen een gevestigde bovenlaag, 15 procent van de bevolking, en wat het SCP het precariaat noemt, de minst welvarende 15 procent. In alle opzichten zijn deze ‘segmenten’ elkaars tegengestelde: wat betreft opleiding, financieel vermogen, gezondheid, gewicht, levensstijl, politieke voorkeur, sociaal netwerk.

Is er dus een maatschappelijke tweedeling aan het ontstaan, zoals vaak wordt beweerd? Het SCP is hier voorzichtig in. Tussen de beide uitersten onderscheidt het SCP nog vier segmenten. Van boven naar beneden: de jongere kansrijken, de werkende middengroep, de comfortabel gepensioneerden en en de onzekere werkenden. En er is niet altijd een duidelijke grens tussen de diverse groepen te trekken. Daarom kan niet van een 'harde tweedeling' worden gesproken.

Toch spreekt het SCP wel degelijk van een ‘zachte tweedeling’. Het constateert een scheiding tussen de bovenste vier en de onderste twee segmenten. Die scheiding vind je ook terug in het cijfer voor geluk, dat men zichzelf geeft. Geen negentiende-eeuwse standensamenleving dus, maar het Verschil in Nederland heeft een andere vorm aangenomen. Geen verrassende conclusie overigens, maar wel goed gedocumenteerd.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Verschil in Nederland  We leven inmiddels niet meer in een Downton Abbey-achtige standensamenleving, waarin een kleine elite zichzelf in stand...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>The Wealth of Nations</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/The-Wealth-of-Nations</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:29:03 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290420</guid>

		<description> Mini-essays



The Wealth of Nations

Onlangs is op de zolder van het Tweede-Kamergebouw een eerste druk van The Wealth of Nations gevonden. Dit boek uit 1776, geschreven door de Schotse filosoof Adam Smith, wordt algemeen als het begin van de economische wetenschap beschouwd.

De beide delen van het boek schijnen samen een kwart miljoen euro waard te zijn, maar de vraag is wie ze gaat lezen. Het is zeker geen eenvoudige kost, vol lange uitweidingen, nooit een samenvatting. De versie die ik in de kast heb staan, telt bijna duizend pagina's. Wellicht dat het boek vooral zal worden gezien als een symbool: de eerste systematische verdediging van het vrijemarktmechanisme.

In de tijd waarin Smith zijn boek schreef, de achttiende eeuw, was de economie sterk gereguleerd. Door de overheid in de eerste plaats, maar ook door instellingen als de gilden. Markten vrij laten leek riskant. Als je iedereen maar zijn gang liet gaan en zijn eigenbelang liet najagen, kwam het dan wel in orde? Lag chaos niet op de loer?

Geïnspireerd door de ontdekking van de zwaartekracht in de natuurkunde, introduceerde Smith zijn beroemde metafoor van de onzichtbare hand. In het heelal hield de zwaartekracht de boel bij elkaar. In de economie zou de onzichtbare hand van de markt het streven naar eigenbelang in goede banen leiden. “Het is niet de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker die ons onze maaltijd bezorgt, maar hun streven naar eigenbelang.” Aldus Smith. Op de vraag wat de beste economische politiek was, antwoordde een Franse koopman dan ook: “Nous laisser faire”, laat ons onze gang maar gaan.

De vermogende voorstander van het kapitalisme die de zojuist opgedoken Wealth of Nations gaat aanschaffen, leeft twee-en-eenhalve eeuw later. Intussen is de economische situatie drastisch veranderd. De achttiende eeuw werd gekenmerkt door volkomen concurrentie, zoals economen dat noemen: veel kleine aanbieders die met elkaar concurreren. De macht op de meeste tegenwoordige markten is daarentegen sterk geconcentreerd geraakt. Er zijn vaak maar enkele aanbieders over of er is sprake van een regelrecht monopolie.

De onzichtbare hand komt nu uit de directiekamers van grote ondernemingen en trouwens ook (weer) uit de ambtenarenburelen van Den Haag en Brussel. De wereld die Smith voor zich zag, een wereld met talloze kleine producenten, geleid door een soepel werkend marktmechanisme, die wereld heeft feitelijk nooit bestaan en lijkt nu verder weg dan ooit. Wat dat betreft is Das Kapital van Karl Marx actueler, een boek waarachter, naar verluid, Smith’s Wealth of Nations verstopt stond op de zolder van het Tweede-Kamergebouw.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    The Wealth of Nations  Onlangs is op de zolder van het Tweede-Kamergebouw een eerste druk van The Wealth of Nations gevonden. Dit boek uit 1776,...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Stagnatie?</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Stagnatie</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:28:43 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290419</guid>

		<description> Mini-essays



Stagnatie?

Rond 1950 stond de Nederlandse economie er niet best voor. De oorlogsschade was nog lang niet hersteld. Groei was geruime tijd uitgebleven, zodat de productie per hoofd niet hoger lag dan in 1929, toen de crisis van de jaren dertig begon. De stemming was dermate somber in die tijd, dat meer dan 400.000 Nederlanders emigreerden naar vooral Canada, Australië en de Verenigde Staten.

En toen gebeurde iets onverwachts: in de daarop volgende 25 jaar groeide de Nederlandse economie als nooit tevoren. Jaarlijkse groeipercentages van 5 of hoger van het bruto binnenlands product kwamen regelmatig voor. Terugkijkend op die tijd wordt wel gesproken over de gouden jaren van het kapitalisme.

Het is goed te bedenken dat economische groei in dit tempo uitzonderlijk is en nauwelijks houdbaar. Een economie die 25 jaar lang met jaarlijks 5 procent groeit, wordt ruim drie keer zo groot. Waarschijnlijk was in de periode 1950-1975 sprake van een zekere inhaalslag als gevolg van de stagnatie door crisis en oorlog. Na 1975 zakte de groei dan ook terug tot zo'n 2 à 2,5 procent per jaar.

En nu, nu Nederland uit de jongste recessie is? Gaan we weer een periode van stevige groei tegemoet? Het Centraal Planbureau (CPB) gelooft er niet in. Krijgen we weer gouden jaren, zoals na 1950? “Those were the days. Lagere groei is het voorland, niet alleen voor Nederland, maar voor veel westerse landen.” Aldus de rekenmeesters van de Nederlandse regering eerder deze week.

Het CPB voorziet wat tegenwoordig ‘het nieuwe normaal’ wordt genoemd, een periode van aanzienlijk lagere groeicijfers dan we gewend zijn. Voor de komende paar jaar voorspelt het bureau nog een groei van rond de 2 procent, maar daarna neemt de groei af tot 1,5 procent of iets daarboven. Oorzaken zijn onder andere de vergrijzing en het stagneren van de bevolkingsomvang.

Het kan, denk ik, geen kwaad het voorspellend vermogen van de economische wetenschap enigszins te relativeren. Daarom begint dit stukje met de, achteraf onterechte, algemene somberte rond 1950. Ook de kredietcisis die in 2007 begon kwam voor de meeste economen als een donderslag bij heldere hemel. Maar ook als de nationale productie met, laten we zeggen, 1,75 procent per jaar groeit, verdubbelt de omvang van de economie in 40 jaar. Voorlopig hoeven we ons geen zorgen te maken over het nieuwe normaal, als het al komt.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Stagnatie?  Rond 1950 stond de Nederlandse economie er niet best voor. De oorlogsschade was nog lang niet hersteld. Groei was geruime tijd...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
		
	<item>
		<title>Sociaal kapitaal</title>
				
		<link>http://gerritgorter.com/Sociaal-kapitaal</link>

		<comments></comments>

		<pubDate>Wed, 26 Sep 2018 23:28:13 +0000</pubDate>

		<dc:creator>Gerrit Gorter</dc:creator>
		
		<category><![CDATA[]]></category>

		<guid isPermaLink="false">290418</guid>

		<description> Mini-essays



Sociaal kapitaal

Kapitaal is er in soorten en maten. Er is natuurlijk het financieel kapitaal, vermogen dat u op een spaarrekening hebt staan of in aandelen hebt belegd. Daarnaast is er menselijk kapitaal — ‘human capital’ — dat staat voor opleiding en ervaring. Iets ongrijpbaarder is het sociaal kapitaal, dat vooral wordt bepaald door het vertrouwen dat mensen in elkaar en in instituties hebben en ook door de mate waarin mensen meedoen in de samenleving.

Intuïtief bent u misschien geneigd te denken dat het met dat sociaal kapitaal niet de goede kant op gaat. Wie is er nog lid van een politieke partij, een vakbond of een kerkgenootschap? Werkers in het onderwijs en de zorg zuchten dagelijks onder een systeem van georganiseerd wantrouwen, dat een tijdrovende verslaglegging van bijna alles eist. En het zal nog wel enige tijd duren voordat in een ooit solide instelling als het bankwezen het vertrouwen terugkeert. Zijn we niet in rap tempo veranderd van een ‘high trust’ in een ‘low trust society’?

Dat valt erg mee. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doet regelmatig onderzoek naar het sociaal kapitaal in Nederland en kan daarin de laatste jaren geen daling bespeuren. Wel is het vertrouwen in de politiek tanende en is het sociaal kapitaal van ouderen en laagopgeleiden duidelijk beneden gemiddeld. Maar over het geheel genomen is het sociaal kapitaal in de periode 1997-2014 zo goed als gelijk gebleven. Ook binnen Europa scoort Nederland in dit opzicht, samen met de Scandinavische landen en Zwitserland, hoog: nummer zeven.

Dat is in een aantal opzichten goed nieuws. Om te beginnen is een samenleving zonder ten minste enig onderling vertrouwen onleefbaar. Maar ook in economisch opzicht: zelfs de meest geharde kapitalist zal in het aangaan van economische transacties uit moeten gaan van een minimum aan vertrouwen in zijn medeburger. De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama heeft laten zien dat betrekkingen die mensen via markten met elkaar aangaan zijn ingebed in een geheel van vertrouwensrelaties. 

Hij geeft het voorbeeld van Japan, waar veel onderling vertrouwen bestaat. Daar tegenover staat Zuid-Italië, waar niemand buiten de eigen familie vertrouwd wordt. Het gevolg is dat Japan hoogwaardige ‘high tech’ producten exporteert en Zuid-Italië traditionele, ambachtelijke producten. Fukuyama legt een niet-rationeel fundament onder het gedrag van rationeel calculerende burgers.

Van harte aanbevolen: de CBS-publicatie ‘Sociale samenhang 2015, wat ons bindt en verdeelt’, gratis op www.cbs.nl.







 
 Mini-essays</description>
		
		<excerpt> Mini-essays    Sociaal kapitaal  Kapitaal is er in soorten en maten. Er is natuurlijk het financieel kapitaal, vermogen dat u op een spaarrekening hebt staan of...</excerpt>

		<!--<wfw:commentRss></wfw:commentRss>-->

	</item>
		
	</channel>
</rss>