Economieonderwijs



Opdoeken, die macromodellen?


In het julinummer van dit tijdschrift schreef Peter Voorend een artikel over macromodellen in het vwo-examenprogramma economie.1 Het is het zoveelste artikel in de wat vermoeiend wordende vete tussen de sectie AE van de Vecon en het College voor Toetsen en Examens. Als het artikel van Voorend iets duidelijk maakt, is het wel dat we er wat de macromodellen betreft nog niet zijn.

Om te beginnen moet worden vastgesteld dat Voorend een tamelijk onnavolgbare stijl hanteert. Zijn zinnen gaan vaak hun eigen gang en nemen soms onverwachte wendingen, waardoor de Nederlandse taal het niet gemakkelijk heeft. Ik noem dit punt betreffende de taal niet om kinderachtig te doen, maar omdat ik misschien niet altijd goed heb begrepen hoe de redenering van Voorend precies verloopt. In het geval ik zijn gedachtegang verkeerd interpreteer: bij voorbaat excuses.


Geen macromodellen

Het voornaamste punt van Voorend is dat we helemaal geen macro-economische modellen in het voortgezet onderwijs zouden moeten gebruiken. Hij geeft daar twee argumenten voor. Het eerste argument is dat macromodellen de werkelijkheid “volstrekt onvoldoende” verklaren. Er is geen wetenschappelijke basis voor het gebruik van macromodellen in het onderwijs. Het tweede argument dat ik heb kunnen vinden, is dat modellen een schijnwereld voortoveren. Leerlingen kunnen de sommetjes maken, maar weten dan nog niets over de reële wereld. Over zaken als staatsschuld en de rol van de overheid blijven ze de vreemdste ideeën houden.

Een paar dingen in de redenering van Voorend vallen op. In de eerste plaats heeft hij het op meerdere plekken over de klassieke macromodellen. Ik vermoed dat hij daarmee vooral het keynesiaanse en het IS/LM-model bedoelt. Het gebruik van de term ‘klassiek’ is hier minder gelukkig, economen vanaf Adam Smith tot en met John Stuart Mill worden doorgaans ook klassiek genoemd.

Maar een veel belangrijker punt is zijn onderscheid tussen theorie en model, dat hij nergens toelicht. We vinden bij Voorend voortdurend combinaties als “theorie plus bijbehorend abstract model” en “theorie inclusief model”. Ik vermoed dat hij bedoelt: de theorie is verbaal, een model wiskundig, d.w.z. grafisch en/of algebraïsch. Maar is dit een zinvol onderscheid?


Modellen

Ik denk dat je altijd een model gebruikt als je iets zinnigs over economie wilt beweren. Daarbij is er geen essentieel verschil tussen een verbaal model en een wiskundig model. Wie een model opstelt, kiest eerst een aantal in zijn of haar ogen cruciale variabelen en probeert vervolgens verbanden tussen die variabelen te leggen. Neem een eenvoudig keynesiaans model. Je selecteert variabelen als het het nationaal inkomen, de consumptie, de besparingen, de investeringen en wat je nog meer wilt. Vervolgens ga je verbanden leggen. De consumptie bijvoorbeeld is afhankelijk van het nationaal inkomen, evenals de besparingen. Ook als je dit louter verbaal doet, ben je modelmatig bezig. En ook verbaal creëer je een abstractie. Voor wie  zover is, is het dan nog maar een kleine stap de variabelen met een symbool weer te geven en eenvoudige notaties als plus en min te gebruiken.

Voorends bezwaar tegen modellen is vooral een bezwaar tegen het doorgeschoten gebruik van modellen in het economieonderwijs in de jaren zeventig en tachtig, toen de economie werd gepresenteerd als een soort sociale natuurkunde. Dertig jaar geleden zou dat bezwaar relevant zijn geweest, maar het huidige economieonderwijs, tenminste als je kijkt naar de centrale examens, is wat het gebruik van wiskundige modellen betreft bescheidener geworden.


Uit het verleden

Na de Tweede Wereldoorlog werd de economische wetenschap in hoog tempo abstracter, met name door het gebruik van wiskundige modellen. Uiteraard werd destijds ook nagedacht over de gevolgen daarvan voor het economieonderwijs. De ambitie als het ging om formele, wiskundige modellen was bescheiden. Jan Tinbergen in 1948: “Maakt men bijvoorbeeld een model van een bepaalde markt, van vraag en aanbod, van het begrip prijs. Mits scherp behandeld, kan dit zeer tot de wetenschappelijke vorming bijdragen. ... Natuurlijk moet men er altijd bij zeggen, dat het maar modellen zijn.”2

Een tweede voorbeeld is een artikel van Arnold Heertje uit 1962 over het gebruik van de wiskunde in het economieonderwijs. Volgens Heertje heeft het gebruik van eenvoudige wiskunde “... grote paedagogische voordelen. ... Het leert ze [d.w.z. de leerlingen] hun verbale formuleringen te verscherpen.” Heertje pleit wel voor een beperking als het om de wiskunde gaat, aangezien het uiteindelijk om “... economische relaties gaat en het alle voordelen weer teniet zou doen wanneer men zich in wiskundige details zou verliezen.”3

Deze citaten ‘uit de oude doos’ laten twee dingen zien. Het gebruik van eenvoudige wiskundige modellen werd gewaardeerd in de veronderstelling dat het de leerlingen scherper en systematischer leert nadenken over economische relaties. Maar de wiskunde moet wel beperkt blijven, leerlingen moeten door de wiskundige bomen het economische bos blijven zien. Ik denk dat deze benadering uit de periode vóór het gebruik van, wat Voorend noemt, klassieke macromodellen, nog steeds de moeite waard is.


En de micro-economie dan?

Terzijde: Voorends houding ten aanzien van micromodellen is mij niet geheel duidelijk. Hij keert zich wel tegen de aanname dat mensen altijd streven naar maximalisering van hun eigenbelang. Modellen, zowel micro als macro, die uitsluitend op die aanname zijn gebaseerd kunnen niet op zijn instemming rekenen. Maar ik lees nergens dat Voorend de micromodellen evenals hun onfortuinlijke macrocollega's wil afschaffen in het economieonderwijs.

Terwijl micromodellen vaak even abstract zijn als macromodellen. Wie een bedrijf binnenloopt en naar de marginalekostenvergelijking informeert, wordt voor gek versleten. En hoeveel vraagvergelijkingen gebaseerd op de economische werkelijkheid heeft u in uw leven gezien? Vraag- en aanbodvergelijkingen zijn toch vooral constructies in de hoofden van economen.


Welke macromodellen?

Terug naar de macro-economie. Het eerste macromodel in het economieonderwijs was een summier keynesiaans model. In al z’n eenvoud was dat m.i. een prima model om bepaalde verschijnselen mee te kunnen verklaren. Via de multiplier, nu onterecht afwezig in het economieprogramma, kun je goed laten zien hoe de bestedingen in crisisjaren als 1930 en 2008 in hoog tempo afnamen. Het probleem met dit model werd de wiskundige ‘overkill’, waarbij het bord werd volgeschreven met afleidingen van de meest ingewikkelde multipliers, zoals die voor de consumptie, de belastingen en de import. Het zicht op de werkelijkheid ging dan al snel verloren.

Het op keynesiaanse leest geschoeide IS/LM-model was de volgende kandidaat. Het bracht op een fraaie wijze een groot aantal variabelen met elkaar in verband, maar was toch te mechanistisch, te veel sociale natuurkunde. Neem alleen al het negatieve verband tussen rentestand en investeringen. Je hoeft maar om je heen te kijken en je ziet dat de investeringen zich weinig van de rente aantrekken, maar veel meer bepaald worden door het producentenvertrouwen.

In het huidige programma hebben we te maken met het macro-economisch vraag-en-aanbodmodel. Ook internationaal lijkt dit model de standaard te zijn geworden. Je vindt het in het veelgebruikte handboek Principles of Economics van de Amerikaanse econoom Gregory Mankiw. Ook in Britse en Belgische economiemethodes ben ik dit model tegengekomen. Drie jaar geleden heb ik dit model “een didactisch ongelukkig instrument” genoemd.4 Het lijkt verwarrend veel op het micromodel van vraag en aanbod, de indeling in ‘time horizons’ (lange termijn, korte termijn) is onduidelijk en het suggereert op lange termijn de mogelijkheid tot prijsdalingen, maar die zijn na de Tweede Wereldoorlog alleen in 1987 voorgekomen.


De Phillipscurve

En nu krijgen we dan tevens te maken met de Phillipscurve, tenminste afgaand op de, tijdens het schrijven van dit artikel nog steeds niet formeel vastgesteld, CvTE-syllabus vwo voor 2017. De Phillipscurve, genoemd naar de Nieuw-Zeelandse econoom William Phillips, laat een negatief verband tussen twee kernvariabelen, de inflatie en de werkloosheid, zien. De oorspronkelijke curve is gebaseerd op een onderzoek naar de relatie tussen de werkloosheid en de verandering van de nominale lonen in het Verenigd Koninkrijk gedurende de periode 1857-1961.

Ik ben het in elk geval met Voorend eens dat dit model voor onderwijsdoeleinden ongeschikt is. Voorend gebruikt een algemeen en daarnaast een specifiek argument voor zijn bezwaar tegen de Phillipscurve. Het algemene bezwaar is dat hij in het onderwijs niets voelt voor macromodellen in het algemeen. Daarin ga ik niet mee. Zijn tweede bezwaar is dat de twee kernvariabelen, de werkloosheid en de inflatie, niet causaal samenhangen, maar elk voor zich de uitdrukking zijn van de conjuncturele situatie. Er zijn dan ook perioden waarin het negatieve verband tussen die twee niet bestaat. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld daalde de werkloosheid, maar bleef de inflatie op z’n plaats.


Samenhang in het programma

Dan is er nog een probleem. Het macro-economisch vraag-en-aanbodmodel maakt nog steeds deel uit van het vwo-programma, ook in de 2017-syllabus. Hoe dit model te combineren met de Phillipscurve? Een mogelijkheid is de macro-economische aanbodcurve te interpreteren als in figuur 1.



Figuur 1


De macro-economische aanbodcurve wordt in drie stukken gehakt, voor de korte, de middellange en de lange termijn.5 Uitsluitend op de middellange termijn kan iets van een Phillipscurve worden waargenomen. Toenemende bestedingen jagen daar de prijzen op en zorgen voor een toenemende productie en daarmee voor een lagere werkloosheid. Op de korte termijn zijn de prijzen stabiel, op de lange termijn reageert de productie niet op toenemende bestedingen: de capaciteitsgrens is bereikt. Het middengedeelte van de macro-aanbodcurve is het enige dat in overeenmstemming met de Phillipscurve valt te brengen. En juist dat deel van de curve ontbreekt in het programma.


Conclusie

De conclusie is ontmoedigend. De Phillipscurve is geen theorie, maar alleen een curve, het woord zegt het al. Bovendien is de Phillipscurve niet in overeenstemming te brengen met het macro-economisch vraag-en-aanbodmodel uit de vwo-syllabus 2017. Dat macro vraag-en-aanbodmodel zélf is trouwens didactisch ook niet sterk. Maar wat dan? Het is na al het geharrewar spijtig te concluderen dat de discussie over macromodellen niet als afgesloten kan worden beschouwd.



Peter Voorend, Modellen: meer, minder of ‘uit het hoofd’? Tijdschrift voor het economisch onderwijs, 2016 nr. 4, pagina’s 33-35.

2 J. Tinbergen, De waarde van het onderwijs in de economie, Weekblad voor het gymnasiaal en middelbaar onderwijs 42 (1948): 140-143.

3 A. Heertje, Economie op H.B.S.-A, VOS-mededelingen nr. 63 (1961): 16-17.

4 Gerrit Gorter, Het macro-economisch vraag-en-aanbodmodel, een didactisch ongelukkig instrument, Tijdschrift voor het economisch onderwijs, september 2013, pagina’s 30-32.

5 Met dank aan Herman Duijm.



Economieonderwijs