Geschiedenis van het economisch denken



Het mercantilisme


De mercantilisten waren zeker niet de eersten die uitspraken over economie deden. De Griekse filosofen gingen hen voor en ook in de middeleeuwen werd over economie nagedacht. Een belangrijk kenmerk van deze vroege uitspraken over economie, waaraan ook de mercantilisten zich niet konden onttrekken, was hun normatieve karakter. Vaker was een bewering over economie een morele regel dan een constatering of een analyse. Zo werd in de middeleeuwen — en ook nog wel daarna — het maken van een meer dan normale winst als onbehoorlijk gezien. Ambachtslieden dienden zich te houden aan de regels van hun gilden en moesten het niet wagen meer dan de redelijke, rechtvaardige prijs (justium pretium) te vragen. Ook het vragen van rente werd afgekeurd en als woeker gezien. Overtreders van deze regels werden door de kerk terecht gewezen en een onplezierig hiernamaals in het vooruitzicht gesteld.

[Terzijde: Het onderscheid tussen analytische en normatieve uitspraken vinden we ook wel terug als de tegenstelling tussen zijns- en waarderingsoordelen. Zijnsoordelen zouden neutraal zijn, onafhankelijk van de opvatting van degene die een bepaalde uitspraak doet (“De economie groeide vorig jaar met 2 procent”). Waarderingsoordelen geven iemands mening (“Het kapitalisme is een verwerpelijk systeem”). Er zijn economen die hechten aan dit onderscheid. Andere economen menen dat alle uitspraken over economie een normatief karakter hebben, dat de economische wetenschap een rechtvaardiging van het kapitalisme is. In de jaren zestig stonden de neo-marxisten in dit opzicht tegenover de meeste mainstream economen. Huidige economen die menen dat een waardenvrije economische wetenschap niet bestaat zijn Tomás Sedlácek en Ha-Joon Chang.]

Het belang van de nationale staat

Het is niet zo eenvoudig en wellicht onmogelijk een korte samenvatting te geven van wat later — de naam is bedacht door Adam Smith — het mercantilisme is genoemd. Deze mengeling van analyses en politieke opvattingen wordt doorgaans geplaatst in de zestiende, de zeventiende en het grootste deel van de achttiende eeuw, de periode waarin de nationale staten opkwamen. Het was de tijd waarin min of meer losse politieke eenheden plaats maakten voor meer gecentraliseerde organisaties. Frankrijk, Engeland, Spanje, de Republiek der Verenigde Nederlanden — zij profileerden zich als nationale staten en kwamen daardoor ook in conflict met elkaar. Als de mercantilistische geschriften één ding gemeen hadden, dan was het wel dat ze het belang van de nationale staat voorop stelden.

De mercantilisten zochten naar een stevige economische basis voor de nieuwe staten. De adviezen die ze gaven, waren uiteraard niet altijd gelijkluidend. In Frankrijk werd niet zonder succes gepleit voor veel regulering door de overheid en een protectionistische handelspolitiek. Hollandse schrijvers daarentegen meenden dat het belang van de Republiek het best gediend was met zo weinig mogelijk voorschriften en zo veel mogelijk vrijhandel.

Het mercantilisme wordt doorgaans geassocieeerd met het streven naar een positieve handelsbalans (mercator = koopman). De nieuwe staten hadden veel geld nodig; oorlog voeren is niet goedkoop en ook de pracht en praal die de vorsten nodig meenden te hebben, kostte het een en ander. Het streven was er dan ook op gericht de voorraad goud en zilver — de monetaire reserves, zouden we tegenwoordig zeggen — te vergroten. Dat kon meestal maar op één manier: zorgen voor een overschot van de export boven de import. De meeste landen namen dan ook allerlei maatregelen om de export te stimuleren en de import te beperken. Import van grondstoffen viel buiten deze regelingen, die was immers nodig om de exportgoederen te kunnen produceren. Verder was de uitvoer van edele metalen vaak verboden. Niet altijd was dit soort protectionisme de mercantilistische oplossing. Een Nederlands auteur als Pieter de la Court pleitte juist voor meer vrijhandel en dat was dan weer in het belang van de open economie van de Republiek.

De meeste mercantilisten neigden ertoe de internationale handel te zien als een zero sum-game. De wereld leek in hun ogen op een grote voorraadschuur met een vaststaande hoeveelheid goederen. Wat het ene land daaruit wist weg te slepen, was voor een ander land verloren. Latere economen, zoals Adam Smith en David Ricardo, zetten zich tegen deze gedachte af. Regulering van de internationale handel zou volgens hen de inwoners van een land onnodig benadelen. Vrijhandel zorgde er vanzelf voor dat een land zich ging toeleggen op die producten die het ’t goedkoopst kon maken. Het afschaffen van handelsbelemmeringen — en breder: alles wat het vrije spel van vraag en aanbod in de weg stond — zorgde voor een verhoging van de welvaart.

Gevolgen voor de geldhoeveelheid

Intussen waren de meeste mercantilisten nog niet zo ver en streefden ze naar een handelsoverschot. Over de binnenlandse gevolgen van de toename van de hoeveelheid edelmetaal, die het gevolg van dat overschot was, bestond onder de mercantilisten geen eenstemmigheid. Er is wel verondersteld, vooral door negentiende-eeuwse schrijvers, dat goud voor de mercantilisten hetzelfde was als welvaart. Zo naïef waren ze echter zelden, ze zagen wel in dat geld slechts een ruilmiddel was en dat het uiteraard om de achterliggende productie ging. Wel bestond de gedachte dat een grote hoeveelheid en een snelle omloop van het edelmetaal de economische activiteit konden stimuleren. Verder won het idee veld dat een land niet tot in het oneindige een handelsoverschot kon hebben. Veel schrijvers, waaronder de Fransman Jean Bodin in 1568, wezen erop dat een toename van de hoeveelheid edelmetaal inflatie zou kunnen veroorzaken. En als een land duurder wordt dan zijn handelspartners, zal het exportoverschot vanzelf verdwijnen. Bodin bediende zich in feite van een eenvoudige versie van de kwantiteitstheorie, die het verband legt tussen de geldhoeveelheid en het prijspeil. In de twintigste eeuw is deze theorie verfijnd door economen als Irving Fisher en Milton Friedman.

Latere waardering

De mercantilisten zijn door latere generaties economen vaak wat neerbuigend bekeken. Vooral hun streven naar een toename van de hoeveelheid goud en zilver moest het ontgelden. Het daartoe noodzakelijke protectionisme stond een efficiënte internationale arbeidsdeling in de weg en de welvaart bleef daardoor lager dan mogelijk zou zijn. Enig eerherstel kregen ze van de twintigste-eeuwse econoom John Maynard Keynes. Hij vond dat er wel ‘enige praktische wijsheid’ in de door de mercantilisten voorgestelde maatregelen school. De toenmalige autoriteiten hadden, zo betoogde Keynes, geen enkele greep op de hoogte van de rentevoet. Een politiek van renteverlaging om de investeringen te stimuleren was dan ook onmogelijk. De enige manier om de rente te beïnvloeden was te zorgen voor een grotere geldhoeveelheid. En een overschot van de export boven de import was daartoe een geschikt middel.

Enkele hoofdkenmerken

Als we het ontstaan van de economische wetenschap in de achttiende eeuw willen begrijpen, is het goed de volgende kenmerken van het mercantilisme voor ogen te houden.

  • Het mercantilisme stond doorgaans voor veel overheidsregulering. Niet alleen werd gepleit voor een actieve handelspolitiek (met uitzondering van auteurs in de Nederlandse Republiek), ook de binnenlandse productie werd onderworpen aan een verfijnde regelgeving.
  • Niet het individu stond voorop, zoals later in bijvoorbeeld de theorie van Adam Smith, maar het belang van het individu was ondergeschikt aan dat van de staat.
  • Het mercantilisme was geen hecht systeem, maar bestond uit een aantal losse ideeën. Die ideeën waren bovendien, zoals we zagen, niet in elk land gelijkluidend. De ene staat had nu eenmaal andere belangen dan de andere.
  • In het mercantilisme waren analyse en het geven van politieke adviezen vaak moeilijk te scheiden. Beschouwingen over economie waren vaak een mengeling van wetenschappelijke en normatieve uitspraken. Wat dat betreft stonden de mercantilisten nog met één been in de middeleeuwen.


Geschiedenis van het economisch denken