Geschiedenis van het economisch denken



De keynesiaanse erfenis


Na de Tweede Wereldoorlog borduurde de economische wetenschap enige tijd voort op de basis die Keynes gelegd had. In dit hoofdstuk komt een aantal van die ontwikkelingen aan de orde.

De interpretatie van Hicks

Al in 1937, een jaar na het verschijnen van Keynes’ hoofdwerk, probeerde de Britse econoom John R. Hicks in zijn artikel Mr. Keynes and the ‘Classics’: a Suggested Interpretation de keynesiaanse denkbeelden in een zodanige vorm te presenteren dat ze konden worden opgenomen in de mainstream economics. Zijn interpretatie mondde uit in het befaamde ISLM-model, dat later door auteurs als Hansen en Samuelson is verfijnd. Het ISLM-model vinden we nog steeds terug in studieboeken over macro-economie. Figuur 22.1 geeft dit model weer.



Figuur 22.1


De IS-curve is een omgekeerd evenredig verband tussen de rentestand (r) en het nationaal inkomen (Y). Deze curve is de verzameling punten waarvoor geldt dat investeringen en besparingen aan elkaar gelijk zijn (I = S). De besparingen worden, overeenkomstig de keynesiaanse theorie, afhankelijk gedacht van het nationaal inkomen. De investeringen zijn afhankelijk van de rentestand, een idee dat Keynes niet verwierp, maar relativeerde door de verwachtingen een belangrijke rol te laten spelen bij ondernemersbeslissingen. Het negatieve verband tussen Y en r ontstaat doordat een stijgende rente de investeringen ontmoedigt en daarmee het nationaal inkomen doet afnemen.

De LM-curve is het verband tussen Y en r waarbij geldt dat de totale vraag naar geld (L) gelijk is aan het aanbod (M). We herkennen hier de keynesiaanse intresttheorie. Het betreffende verband is positief. Als het nationaal inkomen stijgt, neemt de vraag naar geld vanwege het transactiemotief toe. Aangenomen dat het aanbod van geld (M) gelijk blijft, resteert zo minder voor voorzorgs- en speculatiekassen. We herinneren ons dat de laatste afhankelijk worden gedacht van de rentestand. Bij een stijgend nationaal inkomen en een gelijkblijvend geldaanbod kan alleen evenwicht op de geldmarkt bestaan bij een hogere rentestand. Bij een hogere rente is er immers minder vraag naar speculatiekassen.

Het evenwicht wordt gevonden bij Y0 en r0. Het zo gevonden evenwichtsinkomen hoeft zeker niet gelijk te zijn aan de productiecapaciteit. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat de productiecapaciteit en het nationaal inkomen waarbij sprake is van volledige werkgelegenheid bij Y1 ligt.

Het ISLM-model kent zeker keynesiaanse elementen. Behalve de mogelijkheid dat er evenwicht onder de productiecapaciteit zou kunnen bestaan, is er een samenhang tussen reële en monetaire sfeer. Als de geldhoeveelheid toeneemt, komt dat tot uitdrukking in tot een verschuiving van LM-curve naar rechts tot bijvoorbeeld LM'. De rente daalt tot r1 en de investeringen worden zodanig gestimuleerd dat het nationaal inkomen toeneemt tot Y1. Niet alleen de wet van Say, ook de klassieke dichotomie is hiermee doorbroken. Keynes zelf schijnt niet onwelwillend tegenover deze interpretatie te hebben gestaan. Toch valt niet te ontkennen dat de geest van het ISLM-model ‘on-keynesiaanse’ trekken vertoont. Het gaat immers om streng gedetermineerde relaties, waarin geen plaats is voor onzekerheid en verwachtingen.

Via het handboek van Paul Samuelson, Economics, is het ISLM-model een belangrijk bestanddeel geworden van wat wel de neoklassiek-keynesiaanse synthese wordt genoemd. De neoklassieke leer over waarde en prijsvorming blijft geldig, maar op macro-niveau kunnen onevenwichtigheden voorkomen, die door overheidsinterventie kunnen worden verholpen. In de economische wetenschap kwam deze synthese tot uiting in het naast elkaar bestaan van micro- en macro-economie. In de politiek had de genoemde synthese haar pendant in de ideologie die vrije markten combineerde met globaal ingrijpen op macro-niveau. Dat laatste gebeurde dan met het zogenaamde anticyclische begrotingsbeleid.

De neokeynesianen

In de tweede helft van de jaren zestig is door auteurs als Leijonhufvud en Clower een andere interpretatie van de keynesiaanse theorie voorgesteld, die wel het neokeynesianisme wordt genoemd. Volgens deze auteurs moet de theorie van Keynes vooral gezien worden als een aanval op de algemene-evenwichtstheorie van Walras. In een walrasiaanse wereld komen alle markten in evenwicht, daar zorgt de veilingmeester, Walras’ Onzichtbare Hand, wel voor. Als alle markten, dus ook de arbeidsmarkt, op microniveau in evenwicht zijn, is er op macroniveau ook evenwicht. Er is zelfs geen speciale macro-economie nodig.

De keynesiaanse theorie kan nu gezien worden als het loslaten van de veronderstelling dat markten in evenwicht komen. Althans, zo interpreteerden de neokeynesianen de leer van Keynes. De laatste had overigens iets meer vertrouwen in het prijsmechanisme. In de neokeynesiaanse gedachtengang reageren prijzen te laat of onvoldoende op vraag- en aanbodoverschotten, zodat markten feitelijk nooit in evenwicht zijn. Er is sprake van false trading, d.w.z. er wordt gehandeld tegen niet-evenwichtsprijzen. Een voorbeeld van dit soort redenering vinden we in figuur 22.2.



Figuur 22.2


Op de arbeidsmarkt zien we het loonpeil boven het evenwichtsloon liggen, zodat er werkloosheid bestaat. Ook op de goederenmarkt, die voor het gemak even model staat voor alle goederenmarkten, ligt de prijs boven de evenwichtswaarde. Daar bestaat dus eveneens een aanbodoverschot. Er kan zich nu gemakkelijk een neerwaartse spiraal gaan voordoen. Ten gevolge van de werkloosheid zullen gezinnen hun aankoop (=consumptie) plannen naar beneden kunnen bijstellen, waardoor de vraagcurve op de goederenmarkt naar links verschuift (V'). Maar de afgenomen vraag naar goederen zal invloed hebben op de productie en dus op de vraag naar arbeid. De vraagcurve op de arbeidsmarkt schuift eveneens naar links, zodat de werkgelegenheid, die aanvankelijk N1 was, nog slechts N2 wordt. Door het ontbreken van een evenwichtbrengende instantie, een rol die lonen en prijzen zouden moeten vervullen, bestaat de kans dat de economie niet meer uit de depressie komt. Alleen een vraagstimulering door de overheid zou kunnen helpen.

De groeitheorie

Na Keynes is er altijd verschil van opvatting geweest tussen economen die menen dat de ontwikkelingen in het kapitalisme uiteindelijk evenwichtig zijn en economen die ervan uitgaan dat evenwicht op toeval berust en dat afwijkingen van het evenwicht normaal zijn. Ook in de groeitheorie komt deze tegenstelling tot uitdrukking. De keynesiaanse groeitheorie voorzag een labiele economische groei, de neoklassieke groeitheorie is veel optimistischer.

De bekendste keynesiaanse groeitheorie is van de hand van de Brit Roy F. Harrod uit 1939. Harrod greep aan bij het al vaker, door onder anderen Marx en Hobson, gestelde probleem van de groeiende productiecapaciteit. Zouden de bestedingen de in omvang toenemende capaciteit wel kunnen bijhouden? Om de gedachten te bepalen veronderstelde Harrod eerst dat de economie evenwichtig groeit, d.w.z. dat vraag en capaciteit even snel toenemen. De groei van de capaciteit vindt plaats door investeringen en aangezien deze gelijk zijn aan de besparingen, is het de vraag welke factor de besparingen bepaalt. Volgens de keynesiaanse theorie hangen de besparingen (S) via de spaarquote (s) van het nationaal inkomen (Y) af: S = sY. Omdat investeringen en besparingen gelijk zijn, geldt: I = sY.

Hoe snel groeit de productiecapaciteit nu? Dat is afhankelijk van de kapitaalcoëfficiënt (k), die verband legt tussen de productie (Y) en de kapitaalgoederenvoorraad (K). Als deze laatste bijvoorbeeld een waarde van 2000 miljard euro heeft, waarmee jaarlijks voor een bedrag van 400 miljard euro kan worden geproduceerd, is k gelijk aan 5. Uiteindelijk zijn er dus twee factoren die bepalen hoe snel de productiecapaciteit groeit: de spaarquote, die via investeringen de kapitaalgoederenvoorraad doet toenemen, en de kapitaalcoëfficiënt, die bepaalt hoeveel goederen en diensten met die extra kapitaalgoederen kunnen worden gemaakt. In een eenvoudig model weergegeven:

(1)S = sY
(2)I = S
(3)I = ∆K
(4) ∆K = kY

Berekenen we nu de groeivoet van de productie, dan krijgen we:


Deze feitelijke groeivoet kan gemakkelijk verkeerd worden geïnterpreteerd. Het gaat niet om de feitelijke groeivoet, maar om de groeivoet van een zich evenwichtig ontwikkelende economie, dus als capaciteit en effectieve vraag even hard zouden groeien. Harrod noemde deze groeivoet de warranted rate of growth, wel vertaald met gegarandeerde groeivoet.

Wat gebeurt er als de feitelijke groeivoet onder de gegarandeerde komt? Dan blijft de vraag achter bij de capaciteit en de ondernemers schorten hun investeringsplannen op. Dat betekent dat de vraag nog verder achterop raakt. De neerwaartse spiraal is een feit. Een andere vraag is of alle arbeid wordt ingeschakeld. Ook daar was Harrod somber over. Zelfs bij de gegarandeerde groeivoet kan de beroepsbevolking sneller groeien dan de werkgelegenheid en aangezien de lonen onvoldoende reageren op een arbeidsoverschot, is structurele werkloosheid onvermijdelijk. Groei kan dus op twee manieren onevenwichtig zijn: de feitelijke groei kan onder de warranted rate of growthliggen en zelfs bij deze laatste groeivoet kan werkloosheid bestaan. Evenwicht is dus in alle opzichten een toevalstreffer, een typisch keynesiaans gezichtspunt.

Naast de keynesiaanse groeitheorie ontstond de neoklassieke groeitheorie. De bekendste is die van de Amerikaanse econoom Robert Solow uit 1956. Belangrijk verschil met de keynesiaanse groeitheorie is dat de veronderstelling van een vaste kapitaalcoëfficiënt is losgelaten. Arbeid en kapitaal kunnen door elkaar vervangen worden naar gelang de beloning van deze productiefactoren varieert. Als arbeid bijvoorbeeld duurder wordt, wordt deze productiefactor vervangen door kapitaal. Daardoor kan de economische groei evenwichtiger uitpakken dan in het model van Harrod. Het Nederlandse Centraal Planbureau heeft een versie van deze theorie in de jaren zeventig en tachtig gebruikt. In het zogenaamde jaargangenmodel bestaat de kapitaalgoederenvoorraad uit ‘jaargangen’, generaties kapitaalgoederen die in de verschillende jaren zijn aangeschaft. Nemen de arbeidskosten toe, dan zullen ondernemers oude, relatief arbeidsintensieve jaargangen versneld afstoten, waardoor de kapitaalcoëfficiënt toeneemt. Op die manier kon de toename van de structurele werkloosheid in de jaren tachtig uit de toegenomen loonkosten worden verklaard.

De conjunctuurtheorie

De keynesiaanse macro-economie riep een nieuwe generatie conjunctuurtheorieën in het leven. Eén van de oudste en elegantste van dit soort theorieën is het multiplier-accelerator-model van de Amerikaan Paul Samuelson uit 1939. Het model is gebaseerd op de wisselwerking tussen multiplier en accelerator. Het idee van de multiplier had Keynes overgenomen van de Britse econoom Richard Kahn, die het al in 1931 beschreef. De multiplier beschrijft de relatie tussen investeringen en nationaal inkomen. Als de investeringen toenemen, neemt uiteraard ook het nationaal inkomen toe. Maar er gebeurt meer. Als het nationaal inkomen toeneemt, nemen ook de consumptieve bestedingen toe en daardoor weer het nationaal inkomen. Uiteindelijk neemt het nationaal inkomen sterker toe dan de investeringen. Vandaar de term multiplier = vermenigvuldiger. De accelerator is in feite het omgekeerde verband tussen inkomen en investeringen. Als het nationaal inkomen groeit, zijn er investeringen nodig om de extra productie tot stand te brengen. Als de accelerator bijvoorbeeld 3 is, is voor elke extra euro productie/inkomen 3 euro extra kapitaal nodig. In figuur 22.3 is de wisselwerking tussen beide begrippen uitgebeeld.



Figuur 22.3


Samuelson ontwikkelde het volgende model:

  1. Ct = cY t – 1 + C0
  2. It =k(Yt–1 –Yt–2)
  3. Yt = Ct + It

Essentieel zijn hier de vertragingen: de vertraagde reactie van de investeringen op het inkomen (de accelerator) en de vertraagde reactie van de consumptie op het inkomen (de multiplier). Het zijn deze vertragingen die uiteindelijk zorgen voor een cyclische beweging. Het moet overigens gezegd worden dat alleen onder bepaalde waarden van c en k een golfbeweging optreedt. De naoorlogse conjunctuurtheorie heeft vele van dit soort modellen geproduceerd, vaak ook nog in samenhang met een groeitheorie. Het zou te ver gaan te stellen dat ze alle variaties zijn op het thema van Samuelson, maar ze hebben wel de wiskundige presentatie en het gebruik van vertragingen gemeen.

Econometrische modellen
Een belangrijke ontwikkeling in de economische wetenschap was het ontstaan van de econometrie, wel aangeduid als ‘het huwelijk tussen economie, wiskunde en statistiek’. Overigens betreft het hier geen vernieuwing in gezichtspunt, econometrische modellen moeten nu eenmaal gebruik maken van bestaande economische theorieën. Modellen van dit soort kunnen keynesiaans zijn, wat ze in het begin doorgaans ook waren, maar ze kunnen ook neoklassiek van karakter zijn, zoals het jaargangenmodel van het Centraal Planbureau.

Econometrische modellen bevatten vaak vele vergelijkingen van het type als de hierboven weergegeven exemplaren van het conjunctuurmodel. Niet zelden zijn het er enkele honderden. Het zal duidelijk zijn dat het vooral de opmars van de computer was, die dit soort modellen mogelijk maakte. De vergelijkingen bevatten endogene en exogene variabelen. De exogene variabelen, in het conjunctuurmodel c, k en C0, moeten worden bepaald met behulp van statistische technieken. De constructie van het model zelf is een kwestie van economische theorie en wiskunde. In Nederland heeft het Centraal Planbureau van verschillende generaties econometrische modellen gebruik gemaakt. De eerste directeur was Jan Tinbergen, die samen met de Noor Ragnar Frisch in 1969 de eerste Nobelprijs voor economie kreeg. Beiden kregen de prijs voor hun baanbrekend werk op het gebied van de econometrie.


Geschiedenis van het economisch denken